Van summatief naar formatief: het beoordelen van professionele ontwikkeling

Door: Marijke Potters (Hogeschool van Amsterdam)

Hoe beoordeel je de professionele ontwikkeling van een leraar in opleiding? Bij de lerarenopleidingen van de Hogeschool van Amsterdam hanteerden ze hiervoor tot twee jaar geleden drie toetsmomenten. In dit blog wordt ingezoomd op het tweede moment, in het derde jaar van de opleiding.

Hoe het was

Tot twee jaar geleden vulde de student het portfolio met bewijsmateriaal zoals een visiestuk, eerdere beoordelingen van de stage, lesplannen en gefilmde lessen. Twee assessoren – een opleidingsassessor en een veldassessor – voelden de student aan de tand in een criteriumgericht interview gecentreerd rond vier criteria: 1) zelfstandig handelen (lesgeven, probleem oplossen), 2) de koppeling kunnen leggen tussen de praktijk en de theorie, 3) het niveau van reflectie en 4) de integratie van kennis/ervaring en persoonlijke houding/attitude. Dit was een summatief assessment.

Zowel assessoren als studenten merkten op dat er in dit assessment zaken dubbel werden beoordeeld, immers, het eerste criterium (zelfstandig handelen) was al op de stageplek aan de orde geweest en beoordeeld. Waarom dit nog een keer overdoen?

Een formatief evaluatiemoment

De onvrede over het summatieve assessment en de wens om binnen de opleiding meer formatieve evaluaties in te bouwen, heeft ertoe geleid dat er een andere inhoud en vorm is gekozen voor dit markeringspunt.

Voordat de student de LIO-fase ingaat, is er een ingepland formatief evaluatiemoment met de studieloopbaanbegeleider. De student stelt het portfolio open en er wordt ingezoomd op de persoonlijke professionaliteit. De vragen die centraal staan bij dit LIO-startassessment zijn: wie ben ik als leraar, wie wil ik zijn als leraar, wat vind ik goed onderwijs en waarom doe ik de dingen zoals ik ze doe?

Ook bij dit LIO-startassessment zijn bewijzen noodzakelijk: het visiestuk is een krachtig bewijsstuk, maar zeker ook filmmateriaal van gegeven lessen. De student is vrij om keuzes te maken voor bepaalde bewijsstukken. Hij of zij ‘weegt’ zijn professionele ontwikkeling, kiest voor bewijsmateriaal en bespreekt dit met de studieloopbaanbegeleider. Er is een formulier dat houvast biedt bij de voorbereiding van het LIO-startassessment.

Studenten formuleren zelf feedback

In de lerarenopleiding Nederlands wordt ook nog van de student gevraagd zelf feedback en feed forward te formuleren op de eigen ontwikkeling tot dan toe, voorafgaand aan het gesprek. Dit is een extraatje en een experiment dat tot nu toe voor verrassende gesprekken heeft gezorgd. Immers, de student wordt min of meer gedwongen zelf na te denken waar hij met zijn professionele ontwikkeling naartoe wil en dat zorgt voor meer eigenaarschap.

Goede ervaringen

Zowel studenten als studieloopbaanbegeleiders vinden deze vorm van ‘toetsing’ veel zinvoller en motiverender dan de eerdere summatieve variant. Studenten geven aan veel minder nerveus te zijn voor het gesprek, omdat het ‘over mijn eigen ontwikkeling gaat’. Dat neemt overigens niet weg, dat een studieloopbaanbegeleider bij dun bewijsmateriaal of bij andersoortige twijfel de student kan vragen om herformulering van zijn of haar eigen feedback of feed forward of om aanvullende bewijsstukken. Centraal staat steeds de vraag: waar ga je naartoe, hoe en waarom?

Het grootste verschil met de eerdere summatieve variant is toch wel de inhoud van het assessment: de persoonlijke professionele ontwikkeling staat centraal en niet langer de instrumentele vaardigheden, die immers al op de werkplek/stageschool getoetst worden.

Tot slot: na afloop van het assessment geeft de studieloopbaanbegeleider ook nog feedback en feed forward. Dat deze dan geen verrassende zaken meer zullen bevatten, zoals in de eerdere variant nog wel eens voorkwam, is een groot winstpunt. Het verstevigt de relatie en geeft de student zelfvertrouwen.

Meer weten of materiaal inzien?  Mail Marijke via m.c.m.potters@hva.nl.

2018-03-28T13:59:00+00:00 28 maart 2018||